Te paard, te paard, de honden blaffen, Sancho!

Castillo Perelada - Bebo Valdés
Castillo Perelada – Bebo Valdés

Met dit prachtige citaat van Don Quijote de la Mancha begint het programmaboekje dat in de kasteeltuin van Perelada (Costa Brava) wordt uitgedeeld aan de binnendruppelende bezoekers. Het is 18 juli 2004 en wij hebben de felbegeerde kaartjes voor een openluchtconcert van Bebo Valdés y su Big Band laten afscheuren en staan nu met een glas champagne van Perelada’s eigen druiventeelt te wachten op de dingen die komen gaan.

Sinds het uitkomen van Lágrimas Negras, de huiveringwekkend mooie cd van de Cubaanse pianist Bebo Valdés en flamencozanger El Cigala kon het bijna niet anders of iedere daarna volgende cd moest bemachtigd worden. En deze zomer in Spanje konden we dan ook haast niet wachten om de aldaar enthousiast ontvangen dubbel-cd Bebo de Cuba te kopen. Gelukkig had El Corte Inglés hem op grote stapels klaarliggen. Het cd-hoesje alleen al maakte begerig, een in aardewerkkleuren uitgevoerd ontwerp met tekeningen van Javier Mariscal, de man die o.a. wereldberoemd werd met de mascotte Cobi voor de Olympische spelen van 1992 in Barcelona.

Bebo Valdés - Cuadernos de Nueva York
Bebo Valdés – Cuadernos de Nueva York

De hoes klapt open en niet alleen vind je daarin twee cd’s met de meest aangrijpende Cubaanse muziek, maar ook een dvd Cuadernos de Nueva York. We zien daarop Bebo, die herinneringen ophaalt aan het Cuba van voor de revolutie van Fidel Castro en die deze herinneringen koppelt aan de composities die hij jaren later in Zweden (waar hij met zijn Zweedse vrouw Rose Marie Pehrson woont) maakte op de piano, zonder het idee dat er kans was dat deze composities nog ooit uitgevoerd zouden worden door een heuse big band.

Een aantal jaren daarna gaat de telefoon in Zweden. Paquito d’Rivera uit New York: Bebo, leef je nog? Gaan we weer eens samen spelen? Op dat moment had Valdés een anoniem bestaan achter de rug als hotelloungepianist in Stockholm en in het hoge noorden boven de poolcirkel. De Zweden beseften jarenlang niet welk talent en welke beroemdheid zij in hun midden hadden. Maar eerst een veertigtal jaren terug in de geschiedenis…

Havana, Cuba

Vlak na de revolutie van Fidel Castro. Bebo Valdés wordt bij de radiostudio, waar hij zou optreden voor een uitzending, tegengehouden door een type in burgerkleren en machinepistool in de hand.

– Jij kunt hier niet naar binnen.
– Maar mijn orkest speelt om zeven uur.
– De enige die hier vanavond niet optreedt…, dat ben jij.

Toen was het voor Bebo Valdés duidelijk dat hij Cuba zou verlaten. En wel onmiddellijk. Al eerder was hij door vrienden gewaarschuwd dat het er voor hem als zwarte muzikant niet makkelijker op zou worden, nu de boeren uit de Oriente de macht in Havana hadden overgenomen. Voordien had Bebo nooit veel racisme ondervonden. Volgens eigen zeggen had hij een onbezorgde jeugd gehad en had hij vrienden uit alle lagen van de bevolking, zowel blank als zwart. Al vroeg leerde hij piano spelen, door de kunst af te kijken bij de pianisten op de dansfeesten waar zijn ouders hem naartoe meenamen. Bebo placht de toetsen op een vel papier na te tekenen en vervolgens de gebaren van de pianist na te doen op dit stuk papier. Zijn talent was hem al op zeer jonge leeftijd voorspeld door een tante die de geesten bezweerde en santera was, volgens Bebo in een tijd dat de santería nog echt iets te betekenen had en geen toeristenattractie, zoals tegenwoordig. Bebo’s moeder, een mulattin, onderkende al snel dat Bebo muzikant moest worden en kocht voor hem in Havana voor twee peso’s een piano en die vervolgens door termieten werd opgegeten.

De carrière van Bebo verliep voorspoedig en al snel was hij een veelgevraagd pianist, arrangeur en orkestleider, die met alle grote namen speelde uit die tijd. Onder anderen begeleidde hij Rita Montaner in de Tropicana, een van Havana’s bekendste nachtclubs. Zijn carriere als club- en orkestmuzikant begon toen hij een zieke pianist moest vervangen in de club El Faraón. De clubeigenaar, een zekere Cumbero, was zo onder de indruk van de 24-jarige pianist dat hij hem gelijk een contract aanbood: 60 pesos salaris plus het tramkaartje naar de club. Bebo bleef bij Cumbero totdat de club overging in andere handen en de nieuwe eigenaar Cumbero te verstaan gaf dat hij geen zwarte muzikanten kon gebruiken. Dit was de eerste keer dat Bebo in aanraking kwam met racisme. Bebo wachtte de uitkomst van het dispuut niet af en ging weg, samen met het orkest van Julio Cuevas.

Niet veel later nam hij samen met dit orkest zijn eerste plaat op, waaronder zijn eerste eigen compositie La rareza del siglo. Bestond er voordien geen racisme in Cuba? Bebo’s vader had hem wel eens verteld dat er danslokalen bestonden waar alleen Afrikanen kwamen en dat er clubs waren zoals de Centro Gallego en de Centro Catalán waar alleen Spanjaarden kwamen. En al had Bebo in zijn jeugd nooit iets van racisme gemerkt, toch gelooft hij nu dat daar wellicht de oorsprong van het racisme ligt dat ook heden ten dage nog heerst op Cuba, niettegenstaande het gelijkheidsideaal van Castro’s regime.

Na het incident leerde Bebo een Joodse immigrant kennen, Frederick Reiter, die gevlucht was voor de Nazi’s. Reiter, ingenieur en violist leerde Bebo de waarde van zijn eigen talent onderkennen en spoorde hem aan om zijn eigen composities te laten vastleggen. Anders zou later niemand te weten komen aan wie al die prachtige muziek toegeschreven moest worden.