Twee weken terug zaten wij dan (travelling very light) in de Schipholtaxi en vroegen de taxichauffeur of we al een nieuwe regering hadden. -Oh, ja, die Balkenstein is nu premier en er is een hoop gezeur met die andere ministers en ze hebben besloten dat deze regering een proeftijd van twee jaar krijgt en dan zijn er nieuwe verkiezingen. Potverdorie, dat was nog eens nieuws, zeg! Is Bolkenstein premier geworden? -Nee, ik bedoel Bolkeneind, dat jongetje met dat brilletje. Ah, ok. En die proeftijd van twee jaar dan? -Ja, zoiets, ik weet niet hoe dat precies zit. En daar liet onze taxichauffeur het bij.

Eigenlijk wist ie meer van de politiek in Turkije dan in Nederland. Maar meer nog dan in de verkiezingen en Bolkeneinde was ie vooral geinteresseerd in het wegraken van onze koffers. Want hij bleek, voor ie taxichauffeur werd, op de bagageafdeling van Schiphol gewerkt te hebben en al gauw werd ons duidelijk dat we het wel vergeten konden. Onze koffers waren voorgoed weg. En naar de verzekering konden we fluiten. Ja meneer, daar had ie ook ervaring mee. Toen ik hem zei dat ik geloofde dat onze koffers hoogstwaarschijnlijk in Parijs bij Air France verdwenen waren liet hij slechts een veelbetekenend gefluit horen. -Niet goed. Helemaal niet goed! Koffers nu echt weg! Geld foetsie! Maar waar waren we dan geweest? In Cuba. 3 weken. -Ah, hoe was Cuba? (We reden ondertussen in Amsterdam-Zuid en ons huis naderde). Nou, veel armoede, veel onderdrukking, erg heet en vochtig. Maar ook wel erg leuk en erg aardige mensen. Ach, dat deed hem weer precies aan Turkije denken. Ook veel armoede, onderdrukking en corruptie. Maar toch het mooiste land van de wereld. Moesten we beslist de volgende vakantie naar toe gaan. -Ach ja, geen koffers, he? Ok, bedankt voor de fooi en de mazzel dan maar.

Weer thuis! Wat hadden we hier naar verlangd! Drie weken op een door en door communistisch eiland zonder lekker eten; drukkende hitte en opdringerige dollargeile jineteros was eh… interessant, opwindend zelfs en ook wel leerzaam, maar uiteindelijk net iets teveel van het goede. Hadden we beter geluisterd naar ons gezonde verstand, dan waren we twee weken gegaan en dan hadden we het erg leuk gevonden.

Na eerst een viertal dagen Havana “gedaan” te hebben (ja, veel te kort, ik weet het) vertrokken per Russisch binnenlandtoestel naar Santiago de Cuba, alwaar internetprofeet Maurice ons zijn appartementje (bij Cubanen thuis) ter beschikking had gesteld. Onze in Rotterdam gekochte vouchers bleken zo goed als waardeloos te zijn en onze zitplaatsen in dat toestel waren aan Cubanen vergeven. Tja, dan kenden die Cubanski’s mijn reisgenote nog niet. Met vuisten op tafel, dreigementen, tranen met tuiten en ander on-Hollands theatervertoon mochten we uiteindelijk toch mee, maar niet dan nadat we honderd keiharde Amerikaanse dollars per persoon hadden betaald, want die vouchers/tickets golden niet meer. Ja, ja…

Dat het toestel volgeboekt was, bleek toch wel waar te zijn, want we zaten helemaal achter in het staartstuk tussen de bagage op twee smalle stoeltjes, die er heel anders uitzagen dan de andere stoelen, terwijl de arme steward en stewardess gedurende de vlucht op hun hurken plaatsnamen ergens in het gangpad. Nu ja, als wij maar op tijd in Santiago aankwamen. Natuurlijk werd er eerst nog een tussenlanding in Holguín gemaakt, wat onze aankomsttijd (volgens voucher rond 22.00 uur) alweer richting middernacht deed verplaatsen. Verdorie, als we nog maar een taxi konden krijgen…, als Coco z’n appartementje maar niet aan een ander verhuurd had (we kenden de Cubanen ondertussen, na vier dagen Havana, al door en door).

In Santiago kregen wij als laatsten onze ene nog overgebleven koffer terug en dit betekende dat alle vijf aanwezige officiële taxi’s al richting Santiago verdwenen waren. Er zat niets anders op dan een illegale taxi (naar petroleum stinkende Lada zonder voorruit) te nemen, die op het vliegveld eerst twee compañeros oppikte (bij elkaar op schoot op de voorstoel) en vervolgens een ANDERE afslag nam dan al die andere taxi’s en in de stikdonkere nacht verdween, Santiago achter ons latend.

Allemachtig, dit was niet leuk meer! Waar gingen we heen? Drie van die Komsomols voorin, wij chagrijnig op de achterbank, onze ene koffer op de imperiaal met een vliesdun touwtje vastgesjord, hop de donkere nacht in, over een totaal verlaten snelweg. De chauffeur zette er flink de sokken in terwijl hij op fluistertoon aan het overleggen was met z’n vrienden. Ik zag ons al uitgekleed worden op een afgelegen terreintje bij een zandafgraving. Dag koffer, dag geld, dag sukkels.

Santiago de Cuba
Santiago de Cuba

Plotseling riep een van die havenarbeiders: -Pazzop voor die kuil! Heuse noodstop; wat kan zo’n Lada nog hard remmen, zeg, met dat suikerwater dat hier voor remvloeistof doorgaat en hoe zou het met de koffer op het dak zijn? -En nu hier naar links, riep onze vriend die bijkans bezweek onder het gewicht van zijn collega. We gingen haaks de hoek om met gierende banden, klommen een heuvel op, daalden weer af en ja hoor, daar was de verlaten zandafgraving. Ik kneep ‘m nu behoorlijk. Nog een bochtje om, weer flink gefluister op de voorstoelen en plotseling alledrie in koor: -Hier is het! En verdomd, ik kon die kerels wel zoenen op hun stoppelwangen, want ik herkende heel duidelijk het huis uit de beschrijving van Maurice. Daar stond de vrachtauto die in de tuin gerepareerd werd, daar was het hek, daar was… De koffer werd van het dak gehesen, van een fooi wilden de heren niet weten en toen stonden we al in de tuin met een enthousiaste Coco te praten die zo blij was dat we toch nog uit Holanda gearriveerd waren.

El camión de Coco
El camión de Coco

Amsterdam, augustus 2002